Kinderfysiotherapie
Wat is kinderfysiotherapie?
De groep kinderen die naar de kinderfysiotherapeut verwezen worden kan in twee hoofdgroepen worden onderscheiden:
- kinderen van 0 - 4 jaar
- kinderen in de schoolleeftijd ( 4-16 jaar)
In beide groepen wordt onderscheid gemaakt tussen acute problemen en chronisch zieke kinderen.
De behandeling richt zich op het bewegend functioneren, op behandelen naar actualiteit van het ziekteproces en op betekenisvol functioneren met als doel de gevolgen van motorische problemen op de motorische en de algehele ontwikkeling te beïnvloeden. We spreken van een behandelende interventie. Functionaliteit staat centraal.
Kinderen leren spelenderwijs. Door te bewegen en te spelen ontwikkelen kinderen hun zintuigen en motoriek. Bij sommige kinderen is er sprake van ontwikkelingsgerelateerde problematiek. De ontwikkeling kan vertraagd, bedreigd of afwijkend zijn. Dit kan een gevolg zijn van een aandoening aan zintuigen, organen, het zenuwstelsel, het houdings- en bewegingsapparaat of door een tekort aan motorische ervaring. Sommige kinderen hebben nu eenmaal meer oefening nodig om een vaardigheid te leren dan anderen. Naarmate het kind ouder wordt, zijn steeds meer vaardigheden nodig om aan de eisen van de omgeving te voldoen.
Kinderen vragen om een specifieke eigen benaderingswijze.
Bij het behandelen van kinderen worden de ouders heel duidelijk betrokken. De kinderfysiotherapeut beschikt dan ook over specifieke kennis en vaardigheden, attitude en invoelend vermogen, dat past bij het kind in ontwikkeling en zijn ouders.
Meestal is het de ouder/verzorger die zich ongerust maakt over de zintuiglijke en motorische ontwikkeling van zijn/haar kind. Neem dit gevoel serieus.
Ook de arts / verpleegkundige van het consultatiebureau of de schoolarts kunnen aangeven dat de ontwikkeling anders verloopt.
Leerkrachten hebben evenals ouders/verzorgers een belangrijke, signalerende taak. Problemen in het bewegend functioneren kunnen een negatieve invloed hebben op het zelfbeeld van het kind. Daarom is het van belang dat nauwkeurig wordt vastgesteld of de ontwikkeling wellicht vertraagd of afwijkend verloopt, zodat er een adequaat advies gegeven kan worden.
Een stelregel is: een “niet-pluis gevoel” is reden genoeg om een deskundige te raadplegen. Immers het is van groot belang om vroegtijdig te beginnen met de juiste zorg, zodat een kind zich optimaal kan ontwikkelen.
Voorbeelden van signalen, indicaties en aandoeningen waarbij kinderfysiotherapie zinvol kan zijn:
- Baby's en peuters met een (dreigende) ontwikkelingsachterstand of –stoornis
- Basisschoolkinderen en jongeren tot 16 jaar
Baby's en peuters met een (dreigende) ontwikkelingsachterstand of ontwikkelingsstoornis. Kinderfysiotherapie kan zinvol zijn bij:
- Voorkeurshouding, asymmetrie, scheef of afgeplat hoofdje
- Huilbaby
- Trage motorische ontwikkeling
- Gespannen en/of te actieve baby, baby met strekneiging
- Slappe en/of te rustige baby
- Drink- of eetproblemen
- Zuigeling met KISS-syndroom
- Verschil in bewegen tussen linker en rechter lichaamshelft
- Verschil in bewegen tussen bovenste en onderste lichaamshelft
- Opvallende motoriek: billenschuiver, tenenloper
- Hersenbeschadiging
- Spina bifida (open rug)
- Pre-dysmatuur kind (te vroeg geboren en/of groeiachterstand voor geboorte)
- Plexus brachialis laesie of Erbse parese (beschadiging van zenuwen die vanuit de nek naar de arm lopen ontstaan bij de geboorte)
- Ademhalingsproblemen, astma, bronchitis
- Orthopedische problemen
- Mentale retardatie (achterstand in de verstandelijke ontwikkeling)
Basisschoolkinderen en jongeren tot 16 jaar
Kinderfysiotherapie kan zinvol zijn bij:
- Motorische ontwikkelingsachterstand
Grove motoriek
- niet kunnen meekomen in de gymles en/of bij buiten spelen
- houterig en stijf bewegen
- slappe houding, moeite met langere tijd rechtop zitten
- opvallend looppatroon
- veel vallen en/of struikelen
- onrustig, veel bewegen
Fijne motoriek:
- niet willen tekenen, kleuren
- niet goed kunnen knippen, plakken en/of bouwen
- veel kleine ongelukjes zoals dingen omstoten, voorwerpen laten vallen
- geen duidelijke handvoorkeur bij teken-/schrijftaken
- schokkerige, niet vloeiende bewegingen
- onvoldoende leesbaar handschrift, schrijfproblemen
- tempo niet kunnen bijhouden bij schrijftake
- DCD, Development Coordination Disorder
- Sensorische integratieproblemen
- ADD, ADHD en NLD
- Pervasieve ontwikkelingsstoornissen zoals PDD-NOS, ASS
- Jeugdreuma
- Mentale retardatie (achterstand in de verstandelijke ontwikkeling)
- Cerebrale parese
- Sportletsels
- Ademhalingsproblemen, astma, bronchitis
- Orthopedische aandoeningen
- Houdingsproblemen
- Lichamelijke spanningsklachten als hoofdpijn, buikpijn, vermoeidheid zonder medische oorzaak
- Pijnklachten in spieren en/of gewrichten
- Zindelijkheidsproblemen
